Thema 1 – Adel, burgers en arbeiders


________________________________________

Inleiding thema adel en burgerij

Rond 1900 was Europa op het toppunt van haar macht. Op de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs, zoals beschreven door Philipp Blom in de eerste twee hoofdstukken uit De Duizelingwekkende jaren, presenteerden de Europese landen zich als trotse naties. Enerzijds beriepen zij zich op een glorieus verleden, anderzijds toonden zij hun moderne ambities. Maar onderhuids broeide het. De voortschrijdende modernisering leidde tot ingrijpende maatschappelijke veranderingen. De aloude sociale hiërarchieën waren niet langer vanzelfsprekend. Frankrijk was bijvoorbeeld in de greep van de Dreyfus-affaire. In deze jaren namen virulent nationalisme en antisemitisme een hoge vlucht. In reactie daarop gingen de socialisten zich steeds beter organiseren om zo een vuist te kunnen maken. Niet alleen ‘de jood’, maar ook ‘de vrouw’ werd als een bedreiging gezien door conservatieven, zowel binnen als buiten Frankrijk. De affaire weerspiegelde de interne verdeeldheid tussen een conservatieve massa en een groeiend progressief kamp. Ook toonde de affaire de toenemende macht van massamedia zoals de pers. Journalisten wisten steeds beter de politieke agenda te sturen, getuige onder meer de geschriften van schrijvers als Émile Zola.

Begin twintigste eeuw vond een proces van verstedelijking plaats. De macht verschoof gaandeweg van het platteland naar de steden en traditionele grootgrondbezitters verloren hun inkomensgarantie. De Europese adel voelde zich bedreigd door een nieuwe klasse van vermogende industriëlen, die op haar beurt angstig werd van het groeiende stedelijke proletariaat. De stad werd door de oude garde geportretteerd als een mensenetende reus. De stedelijke moderne levensstijl zou verantwoordelijk zijn voor de teloorgang van traditionele waarden. Gelijktijdig ontstond namelijk de stedelijke nouveau riche met een eigentijdse culturele dynamiek. De oude elite vreesde dat de mensheid door het moderne en decadente stadsleven zou degenereren. De vervreemding en nostalgie werkten door in de schone kunsten. De angst voor grote maatschappelijke veranderingen als gevolg van de snelle technologische veranderingen waren voor intellectuelen en kunstenaars een dankbare voedingsbodem. Nostalgie is dan ook een terugkerend thema van schrijvers als Marcel Proust (denk aan À la recherche du temps perdu), of een fotograaf als Eugène Atget, wiens surrealistische foto’s zijn bedoeld om het verdwijnende negentiende-eeuwse Parijs vast te leggen.

Ondertussen maakte de Europese adel zich gereed, keurig uitgedost, voor een laatste verdediging. In Philipp Bloms beschrijving van het Britse rijk komt dit treffend naar voren. Met het overlijden van Queen Victoria in 1901 was een einde aan een tijdperk gekomen. Haar opvolging door Edward VII markeerde een overgang naar een moderne tijd waarin eigenaren van industriële ondernemingen het steeds meer voor het zeggen kregen in Groot-Brittannië. De eens zo invloedrijke Britse adel moest toezien hoe zijn invloed steeds verder afnam. Terwijl de eeuwenoude macht van de adel in Groot-Brittannië taande, waren de verhoudingen tussen adel, staat en burgerij op het Europese continent beduidend anders. De Franse adel was al sinds 1789 geen politieke factor meer geweest, en met de wet op de scheiding tussen kerk en staat van 1905 werd ook de strijd met de kerk beslecht in het voordeel van de Republiek. Maar waar in veel Europese rijken de invloed van de adellijke grootgrondbezitters afnam ten gunste van de burgerij, werd de macht van de Duitse adel en het vorstenhuis juist geconsolideerd. De Duitse rijkskanselier Otto von Bismarck wist de oude landadel succesvol aan zich te binden. Ondertussen groeide in andere delen van het Pruisische rijk een industriële middenklasse, die haar eigen hiërarchieën en waarden creëerde in plaats van tegen het gezag in te gaan.

In de Oriëntatiecursus zijn in de reader teksten opgenomen die inzicht geven in de situatie in Nederland rond 1900. De openlijke spanningen in de Europese landen staan in schril contrast met het schijnbaar opgewekte zelfvertrouwen in Nederland. In deze preview is de tekst van de historici Jan Bank en Maarten van Buuren opgenomen, ‘Feesten en beelden van het vaderland’, waarin zij aan de hand van de inhuldiging van koningin Wilhelmina in 1898, tonen hoe de Nederlandse maatschappij veranderde. Religieuze, gewestelijke en politieke verschillen moesten overbrugd worden door een koningshuis ‘nieuwe stijl’ en de daarmee gepaard gaande nationale symboliek. Fenomenen als de tegenwoordige Koningsdag en de Gouden Koets stammen uit deze tijd. Toch pasten groepen als socialisten en feministen slecht in het Nederlandse zelfbeeld, ook al konden steeds meer Nederlanders, door toegenomen welvaart, burgerrechten en scholing, hun stem laten horen. Ook hier moest de politieke elite, in dit geval de liberalen die lang het politieke landschap domineerden, nieuwe emancipatiepartijen naast zich dulden. Voorname partijen waren de Anti-Revolutionaire Partij en de Sociaal-Democratische Bond, de voorloper van de latere Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.

Ondanks de in vergelijking tot het buitenland relatief ‘egalitaire’ aard van de Nederlandse samenleving waren er wel degelijk duidelijke maatschappelijke scheidslijnen en gevoelens van onbehagen. Impliciete codes scheidden ‘hoog’ van ‘laag’. Om een breder beeld te schetsen is in de Oriëntatiecursus ook nog de tekst van Ileen Montijn opgenomen. In haar boek Leven op stand beschrijft zij het klasse- en standsbesef van de Nederlanders aan het begin van de twintigste eeuw, waarbij het begrip ‘burgerlijk’ een sleutelrol speelt. De voortschrijdende sociale stijging bracht discussies met zich mee wie tot welke stand behoorde. De elite, bestaande uit aristocratie en patriciaat, reageerde geschokt wanneer burgers uit de middenklasse elitaire gebruiken en manieren overnamen. Tussen de elite en de arbeiders bevond zich een grote groep van werkenden, vaak kleine zelfstandigen, die een zeker vermogen had maar niet tot de bovenlaag behoorde. Met name de confessionele politieke partijen richtten zich op deze Nederlanders. De confessionele partijen vreesden dat de toenemende sociale spanningen de eenheid binnen de eigen geloofsgroep zouden aantasten, een gevaar dat met de uitbreiding van het stemrecht groter werd. Juist het behoud van de kleine zelfstandigen werd als heel belangrijk gezien.

In de reader is een bron uit de tijd zelf opgenomen: het krantenartikel ‘Onze kleine Burgerij’ dat in 1908 verscheen in het behoudende rooms-katholieke blad de Tilburgsche Courant. Hierin worden de kleine zelfstandigen gehuldigd als ‘de ruggegraat onzer maatschappij’. U treft deze brontekst ook in de preview aan.

Er is iets misgegaan.
Foutmelding:
Details:
Ververs de pagina om dit probleem te verhelpen. Indien je op deze pagina al wijzigingen hebt aangebracht die nog niet zijn opgeslagen, kopieer deze wijzigingen dan voordat je de pagina ververst. Mocht het probleem zich blijven voordoen, neem dan contact op met Service en Informatie.